De geschiedenis na de Tweede Wereldoorlog

wederopbouw
In het voorjaar van 1946 konden de kampeerders hun vertrouwde terrein in Rotterdam aan zee weer opzoeken. Van de kampeerstad van de jaren dertig was echter niets meer over. Bovendien liep een deel van een tankgracht (ongeveer twintig meter breed en vier meter diep) dwars door het gebied van het nieuwe kampeerterrein in aanleg. De Duitsers verbruikten de onderdelen van de huisjes als brandhout voor de bunkerkachels en de schuttersputten.

animo
Eigenlijk was het weer zoals in de eerste jaren na de oprichting begin jaren twintig, toen het kampeerterrein vanaf het nulpunt moest worden opgebouwd. En net zoals toen waren de huisjes al snel in opmars. In 1947 stonden er maar 47 houten huisjes, 51 tenthuisjes en 500 linnen tenten. In 1950 waren er al 337 houten huisjes, 280 tenthuisjes en 232 tenten.

huisjes en tenthuisjes
Hout, glas en het zink voor de daken waren na de Tweede Wereldoorlog zo schaars dat het lastig was om een nieuw kampeerhuisje te bouwen. Daarom begonnen de kampeerders in tenten en tenthuisjes.

Omdat de huisjes aan het einde van het seizoen toch weer moesten worden afgebroken, bleef de ruimte rondom de huisjes open. Tussen de huisjes speelden kinderen (en volwassenen) krijgertje of diefje met verlos met de buren.

bevrijding
In de winter van 1951-1952 mochten 490 geheel houten huisjes voor het eerst blijven staan. In de winter van 1952-1953 bleven 688 huisjes staan. In de winter van 1953-1954 gold dat voor 778 huisjes. Eindelijk, het tijdperk van afbreken, opslaan en weer opbouwen was voorbij! Het voelde als een bevrijding.

Hiermee veranderde ook het jaarlijks terugkerende beeld: dat van het in gebruik nemen van het terrein. De vrachtwagentjes die huisraad en bouwmaterialen bezorgden raakten uit beeld. De jaarlijkse opbouw werd de jaarlijkse schoonmaak. Toen de huisjes mochten blijven staan, gingen mensen ook geleidelijk over op echte matrassen, gevuld met kapok.

tenthuisjes uit de gratie
Doordat ze hun huisjes niet meer hoefden te ontmantelen vervingen de huisjeseigenaren ze of bouwden ze hun tenthuisje om tot een geheel houten huisje. Terwijl het aantal tenthuisjes daalde, steeg het aantal geheel houten huisjes. De permanente staat van de geheel houten huisjes was bovendien een goede reden om ze te verbeteren en goed te onderhouden. De kwaliteit van de huisjes nam vanaf dat moment dan ook toe. Ook kregen de kampeerders toestemming om een tuintje aan te leggen.

de beheerders
Ook na de Tweede Wereldoorlog was het beheer van het kampeerterrein in handen van politieagenten uit Rotterdam. De zwaarste overtredingen aan het begin van de jaren vijftig bestonden uit fietsen op het kamp, knoeien met water en rondlopen in badpak.

vakantie
Voor een vakantie naar het buitenland had de arbeider geen geld. Maar dat was niet erg, want de kampeerstad aan zee was de ideale plek om de vakanties door te brengen. Door de naoorlogse geboortegolf puilde het er uit van de kinderen. Kinderen en volwassenen uit de stad genoten op het kamp. Het was er immers autovrij en er was ruimte in overvloed. Ze maakten kennis met vele andere gezinnen en er was een strand. Met het geluid van de zee, de zeelucht en het strand zo dichtbij, hing er op het kamp een ongedwongen strandsfeertje.

hele zomerseizoen
Buiten de vakantiedagen reisden tientallen vaders dagelijks vroeg in de ochtend vanuit Hoek van Holland naar Rotterdam. Dat deden ze per fiets of trein. Groepjes kinderen gingen ’s morgens naar een van de lagere scholen in Hoek van Holland.

Het kampeerterrein had een belangrijke plek in de levens van de arbeiders. Hier onderbraken ze tijdelijk hun werkpatroon en het alledaagse leven. Hier gingen ze op in een ander sociaal milieu en een andere woonomgeving. Op het kampeerterrein kenden de mensen elkaar en boden ze hulp wanneer een ander dat nodig had. Die omstandigheden creëerden een sterk gevoel van saamhorigheid.

Jeugdhaven
Vanaf juli 1951 maakten vrijwilligers van Jeugdhaven (ontstaan vanuit de gereformeerde kerk) op het kampeerterrein contact met de vakantiegangers om er evangelisatie-arbeid te verrichten. Het programma in de beginjaren bestond vooral uit zang (kinderliedjes, kampversjes en christelijke liedjes), volksdansen en kinderspelen.

In de zomervakantie was dat bijna iedere avond. Na het avondeten kwamen de leden van de Jeugdhaven zingend de straatjes in waarna de jongens en meisjes zich vanuit de huisjes vrolijk aansloten. Samen liepen ze dan naar de tennisbaan (oude kamp), de winkelstraat (oude kamp) of het speelveld (nieuwe kamp). Daar deden ze spelletjes als zakdoekje leggen en gingen ze volksdansen.

Het nieuwe kamp
In 1951 werd een nieuw recreatiegebied in gebruik genomen: het nieuwe kamp geopend. Met de opening stroomde een nieuwe golf van Rotterdamse kampeerders Hoek van Holland binnen, een nieuwe generatie.

tien procent regeling
Met het nieuwe kamp erbij verbleven er begin jaren vijftig in het zomerseizoen ruim 1400 gezinnen voor korte of langere tijd in huisjes, tenthuisjes en tenten op het kampeerterrein. Toch was het aanbod van huisjes te klein om te voldoen aan de grote vraag.

Om toch aan een (tent)huisje op het oude of nieuwe kamp te komen, groeide het aantal aanvragen om voorrang op de wachtlijst vanwege gezondheidsredenen.

Daarom stelde de Kampeercommissie de tien procent regeling in: van iedere tien uit te geven plaatsen reserveerde de commissie er één voor mensen met een verklaring van de GGD (zoals oorlogsinvaliden of kampeerders met een ziek kind).

kampbrandweer
In 1962 werd de vrijwillige brandweer van het kampeerterrein opgericht. Vanaf 1964 schalde gedurende het hele zomerseizoen iedere vrijdag om 12.30 uur een brandweersirene over het kamp om proef te draaien.


avondvierdaagse
Toen de V.V.V. Hoek van Holland vanaf 1964 de avondvierdaagse organiseerde, namen ook de kampeerders daar hartstochtelijk aan deel. Van het kampeerterrein liepen de Meidoorns, de Jeugdhaven, de jeugdgroep van P.V.E. en the Lords mee met het wandelevenement.


wachtlijst
Ooms, tantes, neven, nichten, broers en zussen: het kamp trok veel familieleden aan. Altijd waren er wel een paar getrouwde dochters of zoons die, samen met hun kinderen, hun ouders opzochten in de Hoek. Ze sliepen in stapel- en opklapbedden, kinderen ook wel in ledikantjes of op een matrasje op de keukenvloer.

Zelf een huisje op het kamp bemachtigen was meestal geen optie, want de woningnood was niet alleen in de stad aanzienlijk, maar ook op het kampeerterrein. ‘Op de wachtlijst staan vierhonderd gegadigden, maar er komt niet vaak een plaatsje vrij. Als we een nieuw terrein voor vijfhonderd huisjes konden krijgen, zou het binnen het jaar geheel bezet zijn.’, zo schetste beheerder Ton van Dillen de situatie in april 1962.

kampeerstad
Sinds de oprichting van het nieuwe terrein in 1951 was de Rotterdamse kampeerkolonie flink gegroeid en behoorde het kampeerterrein tot de grootste en modernste van het land. Schattingen over de bezetting op drukke dagen in de jaren vijftig en zestig varieerden van vierduizend tot zevenduizend bewoners.

Door het ruimtegebrek bleef het aantal huisjes in de jaren zestig echter steken op een aantal tussen negenhonderd en duizend. Daar kwamen de 150 tenten van het tentenkamp nog bij.

Op de schaalvergroting en het feit dat de afbraak voor de winter overbodig was geworden na, verschilde het kampeerterrein in feite niet zoveel met dat van vóór de Tweede Wereldoorlog. Er was een winkelstraat waar ook de gemeentebibliotheek een klein filiaaltje beheerde. Hoekse dokters hielden van 1 april tot 1 oktober dagelijks drukbezochte spreekuren en beschikten over een kleine voorraad medicijnen, die kampeerders direct meekregen. De vuilnisman haalde twee keer per week het vuilnis op bij de straatjes.

Verder was er een eigen brandweerkorps, een groot recreatiegebouw, een speelveld, een tentenkamp, een apart meisjestentenkampje (bij de Kievitstraat, zijde Schelpweg), een speeltuin en een telefooncel. Er waren waterkranen, toiletblokken, straatlantaarns en verschillende EHBO-posten. Een fotograaf legde iedere zomer op strategische plekken honderden mensen vast op foto’s die ze konden afhalen bij de Toko. De kampeerverenigingen en de Jeugdhaven zorgden voor vermaak, de beheerders voor de orde. Maar bovenal: het was er oergezellig, en iedereen leefde buiten.

moderniseringsslag
Met de aansluiting van de huisjes op riolering, waterleiding en aardgas in de jaren zestig werd opnieuw een grote stap gezet in de ontwikkeling van het kampeerterrein. Die ontwikkeling werd vervolgens versterkt door de vrije zaterdag en de toename van de mobiliteit (auto).

Kampeerders konden hun huisje steeds vroeger in het seizoen betrekken en ook het naseizoen verlengen. Veel huisjes gingen door ouderdom tegen de vlakte of werden aangepast omdat ze te klein waren om een toilet te herbergen.

Daarmee kwamen veel kampeerders weliswaar voor hogere kosten te staan, maar voor de oude huisjes kwamen wel nieuwe en mooiere huisjes in de plaats. Ook kregen ze de beschikking over materiële zaken als radio’s, ligstoelen en parasols.

In plaats van kamperen was het nog meer dan voorheen wonen geworden. Of beter gezegd: recreëren. Dat bleek ook uit de naamgeving, want op 1 maart 1966 kwam de naam Recreatieoord officieel in de plaats van Kampeerterrein. In de volksmond bleef het daarentegen gewoon het kamp en huisjeskamp.

De modernisering had ook een belangrijke keerzijde: het aantal contactmomenten nam af. Het was alsof met het stijgende comfort een omslagpunt was overschreden waarop de stemming minder uitbundig werd en de saamhorigheid afnam. De intrede van de televisie op accu eind jaren zestig en stroom in 1991 versterkten dat proces.

overwinning
In 2008 viel het geliefde oord bijna in handen van een commerciële projectontwikkelaar. Maar op donderdag 17 juli van dat jaar behaalden de gepassioneerde bewoners hun overwinning. Op die dag waren ze met velen naar het Rotterdamse stadhuis gekomen, waar de gemeenteraad een streep trok door de verkoop aan een particuliere investeerder.

enquête
In 2015 hield de gemeente Rotterdam een enquête over de toekomst van het recreatieoord. Maar liefst 96,9 procent sprak de wens uit dat het beheer en eigendom van het kamp ook in de toekomst in handen blijven van de gemeente. 

aardigheid
De toename van het comfort bracht met zich mee dat kampeerders meer in de huisjes bleven. De wederzijdse afhankelijkheid en saamhorigheid verminderden. Maar toch, wat bleef is de aardigheid die je thuis niet vindt. Omgangsvormen zijn op het kamp nog steeds minder afstandelijk, er is meer sociale gelijkheid dan in het alledaagse leven. Afspraken hoeven niet gepland te worden, je loopt gewoon even bij elkaar langs voor een kop koffie. En wat voor de oorlog al gold, geldt nog steeds: als de kinderen het naar hun zin hebben, dan hebben de ouders het ook.

charme
Het uiterlijk van het (oorspronkelijke en intiemere) oude kamp is nog grotendeels zoals de vooroorlogse generatie het opbouwde, het (ruimer opgezette) nieuwe kamp zoals de naoorlogse kampeerders het inrichtten. Ook staan er nog altijd de (ongeveer 880) huisjes van grofweg dertig vierkante meter die zo typerend zijn voor de houten kampeerstad.

nergens zo vrij
Een enthousiaste kampeerder schreef in 1923 over het kamp: ‘gij waart in het vrije Nederland nergens zoo vrij als aan den Hoek van Holland.’ R.A.Z.-voorzitter Gerard Giesen sr. zei het in 1968 iets uitgebreider: ‘Wat hebben wij kampeerders niet voor op zovele andere mensen, die om duizend-en-een redenen niet in de gelegenheid zijn om vijf à zes maanden van de twaalf, die een jaar telt, in hun eigen huisje daar aan de zee door te brengen en met volle teugen te genieten van de vrije natuur. Van zon, zee en strand. Hoe gelukkig voelen wij grootouders en ouders ons niet, als we onze kleinkinderen en kinderen zien spelen met zand of zien ploeteren aan de waterkant. Wat kunnen zij een grote dosis gezondheid op doen, waar zij in hun latere leven nog profijt van kunnen hebben. Bij deze overpeinzing moeten wij ons wel gelukkig en tevreden voelen en zij, die dat niet doen, bekijken het leven door een donkere bril.

 

Eigenlijk is er in al die jaren niet zoveel veranderd.